Verslag Pukkelpop 2010 - Jónsi, Goose, Mumford & Sons en de andere hoogtepunten
De professionele pers had in 2010 een vette kluif aan Pukkelpop, helaas niet altijd om de juiste redenen. Enkele jammerlijke voorvallen bleken uitstekend voer om de voorpagina's te vullen in de hoop de verkoopscijfers op te krikken. De organisatoren van Pukkelpop zetten wel nog steeds de muziek centraal, al krijg je elk jaar een beetje meer de indruk dat ze zoveel mogelijk geld uit je zakken willen kloppen. We hebben afwijkende meningen gehoord, maar velen waren het erover eens dat de affiche van de 25ste editie van Pukkelpop de sterkste ooit was.
Ook in 2010 kregen we weer enkele veranderingen ten goede voorgeschoteld. Een scherm hangen aan de buitenkant van de Club, die op topmomenten weleens uit zijn voegen wil barsten, was er zo eentje. Ook hebben we een dikke pluim veil voor de mensen aan de ingang, waar aanschuiven om binnen te mogen dit jaar niet bestond. Het samenvoegen van drank- en eetbonnen maakte in principe ook heel wat dingen eenvoudiger. Dat een flesje van 25cl cola daardoor 2.5 euro kostte, tegenover 50cl voor 1.5 euro bij de handelaars wat verderop, stelden we dan weer véél minder op prijs.
Dag 1, donderdag 19 augustus
Doe maar gewoon, dat is al gek genoeg. Of goed genoeg, in 't geval van Chapel Club (***). Als eerste act kregen we al onmiddellijk een veelbelovend Brits gezelschap te zien, dat geen vernieuwende, wel oerdegelijke post-punknummers in de MySpace player heeft staan, hier en daar met een randje shoegaze. De groep, met een zanger waarvan de stem erg veel weg heeft van die van Ian McCullough van Echo & The Bunnymen, begon sterk. Net wanneer de aandacht wat begon weg te ebben, en het optreden dreigde dood te bloeden trok "All The Eastern Girls" onze ogen en oren weer open. (BS)
Zanger Justin Furstenfeld van Blue October (*) heeft naar verluidt angststoornissen. Zowat de helft van hun tournee werd om die reden afgelast. We begonnen dan ook wat te vrezen dat de band nooit zou komen opdagen. Ze deden het toch, al had Justin zijn zonnebril erg hard nodig. Er stond dan ook best wel wat volk in de Marquee. Blue October bracht een set die barstte van de cliché gitaarriedels, het bij momenten veel te luide geschreeuw van zanger Justin en de o zo voorspelbare drums. Geen spek voor onze bek. (VC)
Hoewel Bear in Heaven (***) uit Brooklyn op donderdag de Chateau opende, was er al danig veel volk. Geen wonder, want de muziek van Bear in Heaven klonk fris en vernieuwend. De stem van zanger Jon Philpot was bij momenten wonderschoon, evenals de vernuftige drums en gitaarlijnen. Bovendien slaagde Bear in Heaven erin om de handen meermaals op elkaar te krijgen. Enige minpuntje in dit mooie maar bij momenten monotone optreden is dat wat variatie de muziek van Bear in Heaven geen kwaad zou doen. (VC)
De mannen van Thrice (***) hadden duidelijk nog te kampen met jetlag. Hun set kwam maar traag op gang, en net wanneer het eindelijk écht goed werd, ging het terug naar af. Wij hadden ze liever in een tent zien staan (en op een later uur), waar hun show, die muzikaal dik in orde as, waarschijnlijk beter tot haar recht zou komen. (NZ)
Er wordt weleens gezegd dat We Are Scientists (***) een stille dood aan het sterven zijn. Daar is eerlijk waar niks van aan, zeg dat deze Indiestyle-recensent het gezegd heeft. We Are Scientists zorgden voor een frisse en gedreven set met enkele fijne indie rocknummers als “The Great Escape” en “Nobody Move Nobody Gets Hurt”. En daar wringt het schoentje. Niet dat er op hun recent verschenen langspeler “Barbara” geen fijne nummers staan, het is hun beste album sinds “With Love And Squalor”. Wel valt op dat die toch veel minder catchy zijn dan hierboven genoemde songs. Desalniettemin gaven ze de criticasters flink lik op stuk. (VC)
De muziek van Frightened Rabbit (***1/2) is folky, poppy en swingt als de heupen van een tiener die voor het eerst richting Kiewitse weide trekt. Referenties nodig? Wat dacht je van deuntjes die zich ergens bewegen tussen Mumford & Sons en Billy Bragg? Ook live bleek dit garant te staan voor entertainment van hoge kwaliteit. Hoogtepunt "Old Old Fashioned" dateert van een tijdje terug, terwijl ook de nummers van het meest recente album "The Winter of Mixed Drinks" stevig overeind bleven. (BS)
Na Frightened Rabbit bleef er niet meer veel tijd over om naar French Horn Rebellion (**) te kijken. Gelukkig maar, dachten we al snel, want wat we zagen was irritanter dan een zatte karaoke op een pensenkermis. Dat we nog niet helemaal goed wakker waren zorgt ervoor dat we het duo het voordeel van de twijfel schenken en hen waarschijnlijk dubbel zoveel punten geven dan ze eigenlijk verdienen. Volgend jaar keihard Mario Mathy op de affiche? (BS)
Focussen we doorheen het jaar erg hard op artiesten die 100% op Indiestyle passen, dan proberen we op festivals ook geregeld van andere walletjes te eten. Zo belandden we in de Dance Hall voor Tinie Tempah (***), een medewereldburger die rapt op beats die aanleunen bij Drum & Bass, soms doorspekt met wat dubstep. De show, waarin entertainment even belangrijk was als de muziek op zich, was verdienstelijk zonder meer. (BS)
Tame Impala (****) werd door hun grote idolen The Flaming Lips nog geprezen de dag voor Pukkelpop. Het blijken goede scouts te zijn want de Australiërs zorgden voor een sterk concert in de Club op donderdag. Op Pukkelpop stelden ze vooral hun nieuwe album Innerspeaker voor. Een handvol songs die raakvlakken vertonen met het psychedelische, jazzy genre zorgden voor heel wat sympathie van het publiek. Wat ons betreft is dit absoluut één van de revelaties van het festival en ongetwijfeld een band waar we nog veel van zullen horen. (VC)
Vergelijkingen troef met La Roux voor Julie Cambell van LoneLady (**), zij het alleen qua uiterlijk. Deze rosse dame, een heel pak duisterder, verwarde op donderdag nonchalance met kille apathie. Na een wel erg gemoedelijke start snoerden technische problemen LoneLady de mond. Helaas leek enkel drummer Andrew Cheetman doorheen de set die, hoewel hij slechts een halfuurtje duurde, enorm traag vooruit ging, moeite te doen om de stroom mensen richting uitgang tegen te houden. Onze belangstelling was groot na het beluisteren van het debuutalbum, dat ergens op de grens tussen synthpop en postpunk onze aandacht wist te grijpen. Tijdens het optreden zelf hunkerden we vooral naar het einde van deze onderkoelde set. (PV)
Seasick Steve (****) leek op de grote schermen naast de Main Stage wel de opa van James Hetfield, zanger van Metallica. Het soort muziek dat hij brengt heeft ons lang geen barst kunnen schelen. Dat is echter al even voltooid verleden tijd. De genregenoten van Seasick Steve kunnen ons nog steeds geen minuut lang boeien, maar deze man straalt zoveel talent en speelplezier uit dat we gewoon niet anders kunnen dan hem 3 kwartier lang vol bewondering te aanschouwen. (BS)
Razend benieuwd waren wij naar Ellie Goulding (****). Kon ze met die speciale stem van haar ook live overtuigen? Waren haar mooie songs sterk genoeg om de Marquee te dragen? Hierop zeggen wij volmondig ja. Voor velen was zij waarschijnlijk de ontdekking van de dag, want wij waren zeker niet de enigen die achteraf een beetje héél erg verliefd waren op deze Ellie! (NZ)
Nils Verresen, oftwel The Bear That Wasn't (****), kan onmogelijk alles meegebracht hebben op zijn fiets. Voor dit optreden verliet hij even zijn gewone tocht, en liet hij zich vergezellen door een backing-vocaliste die aardig overweg kan met de dwarsfluit, drie violistes, een contrabassist, een drummer en een extra gitarist. Die gaven zijn mooie liedjes extra kracht én cachet. Nils was bijzonder gecharmeerd door de reacties van het publiek op parels als “Tony the Lion”, “Fizzy Good (Make Feel Nice)”, “Ballad of Two Raindrops” en de magistrale afsluiter “Headphones”. (SV)
Het optreden van Megafaun (***) begon nogal saai, maar toen het trio (met baarden om U tegen te zeggen: het lijkt wel een verplicht accessoire voor folkbands) wat meer tempo in hun nummers stak, konden we hun werk al een pak meer smaken. We hoorden sfeervolle, ritmische folk die te vergelijken valt met The Dodos, met een aanstekelijk enthousiasme gebracht door drie sympathieke peren. Er stak net genoeg variatie in het optreden om ons drie kwartier te kunnen boeien, of deze band nog tot meer in staat is valt af te wachten. (FV)
Al dansend kwam Darwin Deez (****), al dansend ging hij weg en zo vulde hij eveneens zijn tijd op de bühne. Eenmaal toegekomen bij zijn gitaar opende deze fijne jongen met “Up in the Clouds”, waarbij hij al kon rekenen op heel wat herkenningsapplaus. Enthousiasme was duidelijk het sleutelwoord tijdens dit optreden, zowel van Darwin als van het publiek dat verrassend genoeg zelfs vlijtig meedanste op “Single Ladies” van Beyoncé. Naarmate de stuk voor stuk amusante nummertjes, met “Radar Detector” op kop, passeerden, werd duidelijk dat de muziek an sich misschien niet erg origineel is, maar helemaal perfect voor een zonnige namiddag in de Club. Geen mondhoek wees naar beneden na dit optreden, en naast talloze 80’s-Geïnspireerde deuntjes dwaalde er maar één vraag door ons hoofd: “Where can we audition?” (PV)
Na een tweetal jaar afwezigheid, enkele ledenwissels en dus algemene stilte rond de groep, zakten de jongens van The Kooks (**) naar Pukkelpop af om te bewijzen dat ze ‘het’ nog steeds hadden. ‘Het’ zijn ze helaas wel volledig kwijt. Lag het aan de verdwijning van enkele groepsleden? Of aan de première van een drietal nieuwe songs die het vernoemen zelfs niet waard zijn? Toegegeven, het was leuk ze nog eens terug te zien, maar overtuigen deden ze niet. (NZ)
Black Rebel Motorcycle Club (****1/2), een band met een ontzettend coole uitstraling, trakteerde het publiek met een mix tussen garage rock, blues en americana (vooral dan in het swingende “Ain’t No Easy Way”) op een heerlijk potje strak gitaargeweld. Ze hebben op twaalf jaar tijd een repertoire van jewelste opgebouwd, en hebben daar met verve uit geput. Onze hoogtepunten: de heerlijke gitaarpartijen in “Conscience Killer” en het afsluitend duo “Whatever Happened To My Rock 'n' Roll (Punk Song)” en “Spread Your Love”. Na het optreden werd geluidstechnicus Michael Been (tevens vader van bassist Robert Levon Been) onwel. Hij overleed later in het ziekenhuis. Een vreselijk voorval, dat deze nochtans uiterst te smaken performance meteen herleidt tot een fait divers… (FV)
Geen wonder dat er opvallend veel mannen stonden te kijken naar And So I Watch You From Afar (***), deze Noord-Ierse muziek is niet voor watjes. De band bracht experimentele postrock van het hardere soort met “K is for Killing Spree” als absoluut hoogtepunt. Vergelijkingen met postrockpioniers 65daysofstatic bleven niet ver weg. De set was energiek, dynamisch en snedig, zonder zich te vergalopperen. And So I Watch You From Afar was een aangename ontdekking die smaakt naar meer en nog beter. (VC)
Doodskoppen genoeg op de weide van Pukkelpop op Iron Maiden-dag. Band of Skulls (****1/2) rockt ook stevig, zij het op een hele andere manier. Het Britse trio zorgt regelmatig voor een overdosis subtiliteit, zoals in "Fires" dat de Club uit zijn dak deed gaan. Door hierna onmiddelijk die 2 andere knallers "I Know What I Am" en "Death By Diamonds And Pearls" mochten de Britten overtuigend het etiket van terechte hype opeisen. (BS)
Om halfzeven was het aan de Main Stage weer even 1998! Blink-182 (****) is terug van weggeweest en is verre van passé: duizenden fans kwamen opdagen om elke (soms lichtjes vals gezongen) letter mee te brullen. Muzikaal was het verre van optimaal, maar plezier werd er met hopen gemaakt: het drietal is ondertussen dik in de 30, maar de onderbroekenlol in de bindteksten is nog steeds prominent aanwezig. Blink-182 koos verstandig voor een “best-of”-setlist, en dat loonde: het publiek zong intens mee met mooie nummers als “Miss You” en “Always” of ging helemaal los op de hitsingles “What’s My Age Again” en “All The Small Things” (beiden van “Enema of the State”, in onze bescheiden mening hét meesterwerk van deze band). (FV)
Band of Horses (*****) overtuigde volledig. Engelenstem Ben Bridwell (zonder baard!) en co ontketenden enkele liters traanvocht tijdens "No One’s Gonna Love You" en afsluiter "The Funeral". Tussendoor gingen ze tekeer als een hoop hillbillies met elektrische gitaren. De set was voornamelijk een voorstelling van hun nieuwste album "Infinite Arms", doorspekt met knallers van hun vorige twee platen. Een show waarbij heel het publiek je nieuwe beste vriend is: wij vonden het briljant, onze nieuwe vrienden in de volle Marquee wellicht ook. (NZ)
De Amerikanen van Girls (***) halen hun mosterd onder meer bij de vroege britpop en dat is een aardige variatie voor vele Pukkelpopbezoekers. Met rode pet en eigenzinnige kledingstijl is het duidelijk dat Girls vooral gebouwd is rond frontman Christopher Owens en dan voornamelijk rond zijn typische zanggeluid. Het publiek kon het duidelijk smaken, vooral omdat Girls zonder pretentie popmuziek bracht en ondanks een zwak begin toch nog voor een dijk van een concert zorgde. (VC)
Eén van de meest gehypete bands in Engeland is Stornoway (**). De frontman, je zou hem een zelden gezien doetje kunnen noemen, werd aangekondigd als de gepeste jongen die nu wraak neemt met een gesmaakt debuut. Wij hebben heel weinig woede, noch gedrevenheid gezien in het zachtaardige karakter van Bryan Biggs. Laat dat net het verschil zijn tussen Stornoway en Mumford & Sons, die in hetzelfde vaarwater zitten. Stornoway bracht een brave set met nummers als “Watching Birds” en het mooie “Fuel Up”. Jammer dat de band nooit echt het gaspedaal volledig durfde in te duwen. (VC)
Met een synth gitaar en veel glitter besteeg Goldfrapp (****) het podium. "Believer" en "Rocket" vulden de Marquee al snel met de nodige sfeer en kreten. Wat later zette "Train" de tent voor het eerst echt helemaal op zijn kop. De groep zit allang niet meer om een tophit verlegen en reeg met onder meer "Ride A White Horse", "Strict Machine" en "Ooh La La" de mooie momenten aan elkaar. (BS)
Het was ondertussen al de vijfde passage van Placebo (****) in ons land op anderhalf jaar tijd, en dan durft het wel eens eentonig te worden. Een aangepaste setlist (met godvergeten nummers als “Nancy Boy”, “Soul Mates” en “Teenage Angst”, en een geslaagde cover van Nirvana’s “All Apologies”) en een opvallend opgewekte Brian Molko volstonden om het geheel toch iets minder routineus te maken. Opvallend: Molko en co hielden hitsingle “For What It’s Worth” in de kast en sloten opnieuw af met het nogal onwennige “Taste In Men”. Bij de volgende passage mogen ze toch gerust een nieuwe plaat meenemen. (FV)
These New Puritans (**) hebben weliswaar een prachtig nieuw album, “Hidden”, waaruit ze sterk door ritme gedreven songs als “Attack music” en “We want war” kunnen plukken. Een maliënkolder onder je jasje dragen maakt ook indruk. Toch miste hun set veel van de kracht die op plaat wel terug te vinden is. Dat had wellicht ook te maken met de geluidsmix waarin de stem van zanger Jack Barnett soms amper te verstaan was... (SV)
We hebben er nog steeds spijt van dat we het Pukkelpop-optreden van The Flaming Lips (****1/2) twee jaar geleden gemist hebben. Deze bizarre band staat garant voor een van de meest geweldige shows in het huidige muzieklandschap. Confetti, ballonnen (nu weten we ineens waar ze bij I’m From Barcelona hun gimmick gehaald hebben), een man of dertig (onder wie Placebofrontman Brian Molko) wiens enige taak “enthousiast rondspringen” was en briljante visuals op de achtergrond: alle ingrediënten om er een leuk feestje van te maken. Veel is te danken aan frontman Wayne Coyne, die bij wijze van opener in een ballon over het publiek crowdsurfte. We mogen natuurlijk de karrenvracht aan steengoede nummers niet vergeten. Een heerlijk optreden om de eerste festivaldag mee af te sluiten! (FV)
Dag 2, vrijdag 20 augustus
De enige act die op vrijdag in de voormiddag aan de slag moest was Airship (****). Goed, want zo ben je tenminste niet aan het twijfelen of je niet beter naar die andere band was gaan kijken die op datzelfde ogenblik in die tent wat verderop speelde. In dit geval was dit waarschijnlijk sowieso niet het geval geweest. Airship was het vroege opstaan (half 10, onmenselijk) meer dan waard, klonk live minder noisy en psychedelisch dan je zou verwachten, en had veel weg van de iets luidere nummers van Coldplay en Snow Patrol. Kunnen wij dat smaken? Nou en of. (BS)
Wie Villagers (****) vooraf tipte als revelatie van het festival had overschot van gelijk. De Ieren mochten op vrijdagmiddag openen in de Chateau op zowat het meest ondankbare uur. Desondanks liep de tent propvol. Zanger Conor O’Brien palmde zijn publiek moeiteloos in met een bij momenten geniale zang. Hoog of laag, nooit zat O’Brien ernaast. Bovendien zong de songschrijver alsof hij verhalen vertelde. Daarmee kon hij op veel sympathie rekenen van de tent. Villagers presteerden op een uiterst hoog niveau en zorgden met “Becoming a Jackal”, “Home” en “The Meaning Of The Ritual” voor hoogtepunt na hoogtepunt met “Pieces” als het absolute orgelpunt. Eén van dé revelaties van Pukkelpop 2010! (VC)
Luisteren naar iemand die een uur lang staat te vertellen, op een muziekfestival? Het lijkt absurd, maar de verhalen die Henry Rollins (***) tijdens zijn spoken word performance brengt weten te boeien én te amuseren, of ze nu over muziek, reizen, politiek, The Stooges op een computer in Sri Lanka of Pukkelpop gaan. Als uitsmijter gaf hij het publiek nog snel enkele opdrachten mee: maak kennis met tenminste één persoon waarmee je contacten zal onderhouden, wissel drie boekentips uit en bedank iedereen die mee voor je zorgt tijdens het festival. (SV)
Het leek een drukke dag te gaan worden vrijdag, wegens meer goede acts dan goed is voor een mens. Daartoe droegen ook de Noord-Ieren van General Fiasco (***1/2) hun steentje bij. Om ons woorden als uitmuntend te ontlokken zullen ze meer variatie in hun set vol stevige indie rock moeten steken. Genoten hebben we wel, en in de titel van hun beste nummer "We Are The Foolish" kunnen we ons volledig vinden. (BS)
Dacht jij net als wij dat al die Engelse zangeresjes omringd waren door horden stylistes? Na de show van Kate Nash (****) wisten we wel beter. "Check Your Lipstick" konden we lezen toen de camera inzoomde op een beschreven kartonnetje uit het publiek. Ogen schminken is ook een cursus die onze Kate maar eens dringend moet volgen. Zingen kan ze wel als de beste. Om nog even terug te komen op haar maquillage: ook in haar set schuwde de zangeres het experiment niet. "Foundations" en "Kiss That Grrrl bracht ze wel, voor de rest stonden we zeker niet te kijken naar een cheesy show vol sappige hitjes. (BS)
Voor een feestje aan sneltreinvaart en een fijne quote of 5 kun je steeds terecht bij Matt & Kim (****1/2). Dat Kim als dame graag eens op een festival tussen de mannen wil gaan pissen om naar hun dicks te kijken interesseert ons op zich bitter weinig. Als deze uitspraken geprangd zitten tussen nummers waarvoor het woord opwindend zou worden uitgevonden als het nog niet bestond, dan nemen we ze er met de glimlach bij. Naast eigen werk was er plaats voor een beetje fun met bijvoorbeeld de intro van "The Final Countdown". Nadat het Amerikaanse duo met "Daylight" een laatste bommetje in de Marquee mikte, was het voor iedereen duidelijk dat je geen ochtendmens hoeft te zijn om vrij vroeg op de dag uit de bol te gaan. (BS)
The Cribs (***) zijn terug van weggeweest. Het was van 2008 geleden dat de band was uitgenodigd op Pukkelpop, toen nog voor veel te weinig volk in de Marquee, nu met een verdiende act op de Main Stage. Vlak na zanger Ryan Jarmans sweetheart Kate Nash was het hun beurt, een taakje dat ze geheel in eigen stijl afhandelden. Microfoons werden omvergegooid, drumstellen beklommen en gitaren op ei zo na gebroken. Zo bezorgden deze Britten de crew een pak extra werk en ons een rommelige indruk. Toch werden the Cribs beloond met heel wat applaus van de fans die ze op hun beurt bedankten met hits zoals “I’m a Realist” en “Men’s needs”. The Cribs zijn terug, en we zullen het geweten hebben. (PV)
Niet alleen de Chateau was “hot” op vrijdagmiddag, ook de band die er speelde: het publiek stond tot ver buiten aan te schuiven om een glimp van Fanfarlo (****) te kunnen opvangen. Terecht, want hun debuutplaat “Reservoir” is een van de mooiste albums van het jaar. Ze zijn schatplichtig aan The Arcade Fire, maar hebben toch een beklijvende eigen sound. Schitterende nummers als “Finish Line”, “Harold T. Wilkins or How To Wait For A Very Long Time” of de sfeervolle afsluiter “Luna” deden het live stuk voor stuk perfect. De veelzijdigheid van de band bleek nog het meest in het geweldige “Comets”: op dikke vijf minuten van intens zacht tot up-tempo en opzwepend en weer terug. (FV)
De vorige twee edities speelde Blood Red Shoes (****) in de Club, nu mochten ze bewijzen dat ze ook de Marquee in hogere sferen konden krijgen. Dat lukte, mede dankzij het stevige begin: al na “It’s Getting Boring By The Sea” en “I Wish I Was Someone Better” zat de vlam in de pijp, en die ging er niet meer uit. Zelfs een trager nummer als “This Is Not For You” rockt nog steeds aan Formule 1-achtige snelheden. Dat ze geen eendagsvlieg zijn, bewezen de bloedmooie Laura-Mary Carter en drummer Steven Ansell reeds toen ze met hun tweede langspeler “Colours Fade” op de proppen kwamen. Na drie jaar is Pukkelpop Blood Red Shoes duidelijk nog lang niet beu. Tot volgend jaar dus? (FV)
Hoewel hun naam het doet vermoeden, zijn de jongens van The Soft Pack (**) geen doetjes. Met hun eigentijdse rammelrock stuurden ze eerder een mooi debuut de wereld in. Live konden ze echter geen onuitwisbare indruk nalaten. Zanger Matt Lamkin zat er in het begin van de set enkele keren flink naast en ook de gitaren kwamen er niet echt uit. Pas naar het einde toe wist The Soft Pack zich nog te herpakken met nummers als “Mexico” en “Pull Out”. (VC)
Met een stuk of 3 goeie singles en een groot promo budget is alles mogelijk. En ook: oefening baart kunst. Op 2 jaar tijd zagen we White Lies (***1/2) uitgroeien van een miezerig live groepje waar niemand van had gehoord (Pukkelpop) tot een miezerig live groepje dat de Rotonde (Botanique) uitverkocht. Op steeds grotere podia heeft de band duidelijk aan ervaring gewonnen. Misschien voelt de weinig charismatische zanger Harry McVeigh zich wel beter op een groot podium dan in een kleine club waar het publiek veel dichter bij hem staat... (BS)
Het was broeierig heet in de Chateau, maar dat leek de jongens van Everything Everything (****) niet te storen. Je zag dat ze er zin in hadden en vol passie hun muziek speelden. Er werd gedanst, met armen rondgezwaaid en vooral veel gezweet. Het album klonk al geweldig en live zijn ze ook zeker de moeite. Hopelijk keren ze snel terug. (PE)
The Black Box Revelation (****) speelde in een overvolle Marquee duidelijk een thuismatch die voor de meerderheid van de fans al op voorhand op een soort van triomftocht zou worden. Gezien hun status en geweldige doortocht vorige zomer in de club, waren de hooggespannen verwachtingen niet helemaal onterecht. BBR kwam uit de hoek als een Mike Tyson in zijn beste dagen. Terwijl Jan Paternoster zo snedig van zich afbeet op de gitaar dat we blij zijn dat we onze oren nog hebben, mepte Dries Van Dijck zonder verpinken de ene strakke uppercut na de andere op zijn drumstel. Klassenummers als "I Think I Like You", "High On A Wire" en "Set Your Head on Fire" werden dan ook luidkeels meegebruld door de hele Marquee. (GT)
Een groep die op voorhand getipt werd als absolute revelatie van Pukkelpop 2010 was Avi Buffalo (**). De indiepop-band uit Long Beach, California sprokkelde veel positieve kritieken met hun titelloze debuutplaat. Op Pukkelpop wisten ze ons echter niet helemaal te charmeren. Het oogde en klonk allemaal behoorlijk rommelig en eentonig. Alleen bij de hitsingle "What’s it in For" hadden we het gevoel dat de band zich wist te herpakken. Echt beterschap kwam er jammer genoeg niet waardoor ze de torenhoge verwachtingen niet konden inlossen. (VC)
Geen band waar op vrijdag zo naar uit gekeken werd als Eels (****). Mister E. komt namelijk niet vaak naar België. Waar iedereen een intieme en ingetogen glansprestatie verwachtte van de Amerikaan, werd al snel duidelijk dat de intieme songs vaak achterwege zouden blijven. De man had zin om te rocken. Zo werden oudere nummers als “My Beloved Monster” en “I Like Birds” in een smerig, bijna Blues-jasje gestopt. Een deel van het publiek was ontgoocheld, maar dit was de enige manier om overeind te blijven op die – voor hem – veel te grote main stage. Met nummers als “That Look You Give That Guy”, “Dog Faced Boy”, “Fresh Blood” en “Spectacular Girl” zorgde Eels voor een boeiend en ontluisterend kijkstuk. (VC)
Foals (****) is groot geworden. Twee jaar na hun ietwat naïeve debuut uit 2008 gooiden ze dit jaar het nieuwe fantastische Total Life Forever op de markt. Het is dan ook geen verrassing dat de groep met werk uit die plaat kwam aandraven in de Marquee. De band, die zorgde voor verscheidene hoogtepunten met "Blue Blood", "Miami" en "Spanish Sahara", liet op geen enkel moment het niveau zakken. De gitaren vlamden, de zang charmeerde en de drums waren bij momenten uitzinnig. Foals heeft eindelijk zijn eigen sound gevonden en klopt nu wel heel nadrukkelijk op de poort van de ‘grote doorbraak’. Binnen twee jaar headliner op de Main Stage? (VC)
Op een festival als Pukkelpop moet je natuurlijk af en toe de inwendige mens versterken en je poten laten rusten. Tijdens Local Natives (***1/2) maakten we dankbaar gebruik van het grote scherm aan de Club om gezeten op het gras van een typische gezonde festivalsnack te genieten. We weten niet meer welke, maar de kans is groot dat het langwerpige aardappelstaafjes waren, gebakken in natuurlijke olie en overgoten met een sausje op basis van eieren. Op zo'n moment ben je uiteraard niet helemaal met je gedachten bij de muziek, maar Local Natives leken toch al het goede dat we al over hen hoorden te bevestigen. (BS)
Er hebben wel meer artiesten voor een halflege Chateau gespeeld, slechts enkele maanden voor hun grote doorbraak. Het zou ons dus niet verwonderen als Hurts (**1/2) binnen een jaar voor een volle AB speelt. Hun prestatie op Pukkelpop was, mede door een in het begin bijzonder storend technisch mankement, niet om over naar huis te sms'en. Single "Wonderful Life" en vele andere songs klonken tammer dan een chihuahua onder de oksel van zijn bazinnetje. Laat dit geen ramp zijn, 2 jaar geleden stond White Lies in de Chateau ook erg matig en onervaren te wezen, er is dus zeker niks verloren voor Hurts. (BS)
Waar de enkele duizenden in en rond de Marquee het unaniem over eens zijn, is de show van Mumford and Sons (*****). De tent was spectaculair heet, en stond letterlijk op ontploffen nog voor de band er was. Zoals verwacht bleef het volk toestromen voor wat wel eens dé revelatie van 2010 zou kunnen zijn. En terecht, zodra de eerste tonen van "Sigh No More" klonken, schreeuwde het volledig uitzinnige publiek elk nummer van voor tot achter mee. Het hoogtepunt van de show kwam er uiteraard tijdens "Little Lion Man". We waagden ons aan een kijkje naar wat er achter ons gebeurde, en snapten de reactie van de band meteen. Niet alleen hebben zij ons omvergeblazen, wij hen ook! (NZ)
Het moeilijkste moment van Pukkelpop 2010 was datgene waarop we moesten kiezen tussen Mumford & Sons, Hot Chip, Isbells en Marina & The Diamonds (***1/2). Onze hormonen raadden ons aan om deze laatste te gaan bekijken. Humo's festivalgids beschreef haar als een Florence & The Machine van de Lidl. Dat soort opmerkingen verkopen ze in de Makro echter aan een spotprijs in zakken van 50. By the way, Humo, de Diamonds zijn de fans, niet de heren van Marina's begeleidingsband. "Mowgli's Road" zorgde voor een ijzersterk begin. "I'm Not A Robot" bezorgde de grootste macho kippenvel. Om van begin tot eind ijzersterk te kinken heeft de excentrieke Marina nog een klassesong of 5 extra nodig. (BS)
We keken vooraf reikhalzend uit naar het optreden van The Tallest Man On Earth (****1/2), en dat is precies geworden wat we ervan gehoopt hadden: bloedstollend mooi. Opvallend hoe iemand met enkel een gitaar onder de arm zo’n betoverende invloed kan hebben. Het recept: simpele maar knappe melodieën, en een magnifieke stem. Tekstueel én muzikaal is deze Matsson een streling voor het oor: een man met een door merg en been snijdende stem en een talent voor songschrijven. Ook het publiek dacht er zo over, te merken aan de ontroerde gezichten en de met de hand gevormde hartjes die na elk nummer de lucht ingestoken werden. (FV)
Het solowerk van Kele (**1/2) blijft een dubbeltje op z’n kant: erg dansbaar, maar soms nogal zoutloos en in niets te vergelijken met het geweldige repertoire van Bloc Party. Kele bleek zelf al te anticiperen op die kritiek, want zijn set was voor een deel gevuld met covers van zijn eigen Bloc Party. Van zijn eigen materiaal bleven ons vooral “Everything You Wanted” en het aanstekelijke “Tenderoni” bij, nummers die er ook op plaat bovenuit steken. De meeste beweging in een amper halfvolle Marquee viel te noteren bij afsluiter “Flux”, dat ook drie jaar na de release onweerstaanbaar catchy blijft. (FV)
Hele belangrijke regel bij cd-reviews ten huize Indiestyle: denk 5 keer na voor je een album beloont met een 5 op 5. "Teen Dream" van Beach House (****) haalde begin 2010 toch de volle buit binnen, en we staan nog steeds volledig achter deze score. Op Pukkelpop staken de zweverige Amerikanen met "Lover of Mine" al vroeg een hoogtepunt in de set. Ook songs als "Used To Be" en "Norway" ontlokten de bewondering van de volledige, voor de gelegenheid erg donkere Club. Om ook live de volle 5 sterren te verdienen is er een beetje variatie nodig. Aan het tempo waarop Beach House momenteel groeit, is dit slechts een kwestie van tijd. (BS)
Vorig jaar pakte Snow Patrol (****) al probleemloos de wei in, ook nu konden we ons weer massaal laten ontroeren door de soms intens mooie poprock van Gary Lightbody en co. Ze hadden er alles aan gedaan om er geen kopie van vorig jaar te maken. Er werden andere nummers aan de setlist toegevoegd, zoals een sterk nieuw nummer dat naar de naam “Big Broken” luistert. Het magistrale “Run” werd in een erg intiem jasje gestoken, ondersteund door een leuke blazerssectie. “Shut Your Eyes” bleek opnieuw het meezingmoment van het optreden, en de lang uitgesponnen versie van “Chasing Cars” liet niemand onberoerd. Net als in Vorst Nationaal in mei mocht Eva De Roovere in een prachtig duet met Lightbody “Set The Fire To The Third Bar” komen zingen. (FV)
Fans van The XX (****) beweren steevast dat mensen die de groep saai vinden onmiddellijk van mening zouden veranderen als ze een concert bijwoonden. Zij hebben gelijk. We hadden het concert ongetwijfeld nog wat intenser beleefd als de Marquee niet helemaal vol had gezeten. Als, als, als... Gezeten achter de Marquee, kijkend naar de grote videoschermen, genoten we van de wondermooie deunutjes van The XX. Af en toe kregen we er een flard Snow Partol van op de Main Stage bovenop, maar het mocht de pret niet drukken.
Met een resem Afrekeninghits in de materiaalkoffer bestegen The Van Jets (****1/2) het podium van de Wablief?! tent. Dolenthousiast, denken we, want op dat ogenblik stonden we tussen de vele ongeduldigen die onder de sterrenhemel moesten wachten tot de mensen van de security besloten dat er weer plaats was om wat meer hongerige fans binnen te laten. Best wel een goed idee trouwens om dan de massa te doen drummen om zich snel een toegang te verschaffen. En The Van Jets? Waarom zat het kot zo vol denk je? Omdat ze genadeloos rockten als vanouds. (BS)
De Canadezen van Holy Fuck (***1/2) hebben met “Latin” een prima plaat uit, maar zeker in de beginfase was daar live niet veel van te merken: overmatig gepruts aan de apparatuur resulteerde in een mengelmoes van bliepjes, gespeend van enige ritmes en melodieën die we op plaat wel te horen krijgen. Eenmaal het viertal het juiste ritme gevonden had, ging het optreden snel in stijgende lijn: we hoorden dansbare electrorock met een donker (dankzij de begeleidende bas) en psychedelisch randje. Sterke en sfeervolle nummers als “Red Light” (dat basmelodietje op de achtergrond!), “Stay Lit” (zou net zo goed van 65daysofstatic kunnen zijn) en “Lovely Allen” (nog van de vorige plaat) konden dan ook op een pak appreciatie vanuit het publiek rekenen. (FV)
Dag 3, zaterdag 21 augustus
De dag was nog maar net begonnen, of daar opende Cymbals Eat Guitars (***1/2) al in de Club, met indierock vol scheurende gitaren. Frontman Joseph Ferocious gaf zich tot hij de meest bezwete man werd van een nochtans snikhete driedaagse, de tremolo-arm van zijn gitaar moest eraan geloven en als zoveel overgave ook nog eens vergezeld wordt van hooks en riffs om u tegen te zeggen, begrijpen we waarom hij het optreden begon met de vraag of we al koffie gehad hadden... (SV)
Wat doe je wanneer je je steendood verveelt op de camping? Juist, vertrekken naar de wei in de hoop nieuwe muziek te ontdekken. Iets wat bij deze is gebeurd, en wel dankzij deze Wallis Bird (***). De 17-jarige (!) zangeres bracht folknummers à la Amy Macdonald, maar dan van het meer alternatieve genre. Waar wij vooral uitermate door gecharmeerd waren was haar jeugdige enthousiasme. Als geen ander genoot Wallis Bird zichtbaar van de aandacht. Ze ging zo op in haar muziek dat ze haar brede glimlach nauwelijks kon verbergen. Spelplezier, ook dat kan zorgen voor een goede show. Wallis Bird was de ideale opener. (VC)
We waren allemaal nog wat moe toen OK Go (***1/2) het hoofdpodium mocht betreden op dag 3 en het was aan ons te merken. Het publiek onthaalde de liedjes vrij lauw, tot zanger Damian Kulash in het publiek enkele jonge gasten spotte die de choreografie van "A Million Ways" helemaal onder de knie hadden. Nadat ze dit op het podium nog eens opnieuw mochten doen zat de vlam in de pijp en zorgde een set met daarin nog onder meer "Can't Get Over It" en "This Too Shall Pass" ervoor dat ook dag 3 van 's morgens vroeg de pretvezels prikkelde. (BS)
Na The Chapman Family vorig jaar heette de vrij ongehypete en toch sublieme act die Eppo Janssen in 2010 uit zijn hoed tevoorschijn toverde The Bookhouse Boys (****). Op cd wisselt de groep vrij gelijkmatig af tussen rustig en wild. Op de scene van Pukkelpop profileerden deze Britten zich vooral als een van 's morgens vroeg onstuitbaar brokje energie dat verwant is aan The Cramps en The Raveonettes, met de razernij van een op dreef zijnde Nick Cave. Als de band nog zulke shows in de kast heeft zitten, mogen ze die kast altijd in een tourbusje stoppen en nog eens in België passeren. (BS)
Toro Y Moi (***) diende door het wegvallen van Washed Out te openen in de Chateau en deden dat met verve. Met hun door lounge beïnvloedde soundscapes zorgden ze ervoor dat heel wat mensen de tent binnenkwamen om nog eens goed te chillen alvorens de wei op te trekken. Een ideale opener met potentieel, om het met andere woorden te zeggen. (VC)
Hun naam is niet meteen de meest ideale van het muziekcircuit, zeker niet wanneer je deze editie van Pukkelpop van naderbij bekijkt. Daar kunnen de jongens van Funeral Party (**) natuurlijk niet veel aan doen. Dit schreeuwerige postpunkgezelschap uit Los Angeles moest de Marquee opwarmen voor Alain Johannes, maar slaagde daar niet echt in. De muziek bleef vaak net wat te vlak om echt indruk te maken. (VC)
Heb jij het ooit meegemaakt dat een hele tent uit zijn dak ging terwijl jij erbij stond, ernaar keek en je afvroeg waarom? Wij maakten het op dag 3 mee tijdens Kitty, Daisy & Lewis (***1/2). Ons ding is het niet, de dolenthousiaste Club gaf ons ongelijk. We zijn ook maar mensen, en voegen een volledig punt toe aan de score die er zou gestaan hebben als jullie niet zo massaal enthousiast waren geweest. (BS)
Als een internationale diva, zo kwam de Leuvense Selah Sue (***) het podium op. De grote wei bleek nochtans aanvankelijk niet al te geïnteresseerd in één van onze meest beloftevolle dames. Haar oudere nummers werden omgevormd tot coole reggae/soul-songs die wat mee hebben van Lauryn Hill en Erykah Badu. Met nummers als “Fyah Fyah”, “Black Part Love” en “Raggamuffin” toonde Selah Sue nu al vlagen van de internationale klasse. Het hoogtepunt blijft echter “Break”, dat werd opgedragen aan Charles Haddon, zanger van Ou est Le Swimming Pool. Selah Sue is een dame die heel wat in haar mars heeft. (VC)
Met stip aangeduid in onze planning: Surfer Blood (**1/2) uit de Verenigde Stranden van Amerika. De Marquee vullen bleek een hopeloze opdracht en indruk maken was al even onmogelijk. Waar de groep door de speakers van je woonkamer de indruk weet te wekken vlotjes in dezelfde league te spelen als The Drums, bleef er van die idee live geen spaander heel. Of het moest zijn zoals de kampioen van Malta (wie de naam kent mag als beloning een pilsje uit de koelkast halen) die beweert in dezelfde Champions League te spelen als Juventus. (BS)
Na doortochten met o.a. Millionaire, onder eigen naam en met Disko Drunkards, stond Tim Vanhamel - we vermoeden dat hij een rechtstreekse lijn heeft met Chokri of Eppo - zaterdag samen met Pascal Deweze onder de naam Broken Glass Heroes (***1/2) in de club. Deze combinatie schiep, zeker bij de Belgische festivalgangers, toch wel enige verwachtingen. Doordat het hun eerste optreden was en de meeste songs totaal nieuw zijn, sloeg de vonk ondanks hun métier en de goede songs die we voorbij hoorden komen niet helemaal over naar de tent. Broken Glass Heroes maken zomerse, ouderwetse rock met hier en daar zelfs een uitstapje richting countryrock en doen dat op een enthousiaste en toch wel aanstekelijke manier. (GT)
De prettige gestoorde gypsy punk van Gogol Bordello (****) stond al voor de derde keer geprogrammeerd. Hun opzwepende mix van punk en balkanmuziek was ideaal om een feestje te bouwen onder de zomerse zon. De weide voor het hoofdpodium mocht dan wel niet afgeladen vol staan maar degenen die de moeite gedaan hadden om af te zakken werden moeiteloos meegesleurd in de sturm and drang van Gogol Bordello. Behalve feesten slaagden ze er ook in om, zei het op niet al te subtiele wijze, hun sociaal engagement rond migratie en globalisatie de weide rond te strooien. Dit belette de meesten niet om voluit mee te springen met knallers als "Break The Spell" en "Pala Tute". (GT)
De Marquee van Pukkelpop om 17u in de namiddag is duidelijk niet de juiste setting voor The Low Anthem (***). Tijdens “This Goddamn House” konden we de beats uit de Boiler Room beter horen dan de zang van Ben Knox Miller. Aan de groep zelf lag het niet, want de mooie nummers, zang en instrumentenmix stonden ook nu weer garant voor een uur vol bloedmooie muziek. Alleen jammer dat “Charlie Darwin” wat mak werd afgehaspeld en dat enkele andere prachtnummers (“To Ohio” en “Ticket Taker” dan vooral) de setlist niet gehaald hebben. We hebben The Low Anthem al pakken overtuigender gezien, maar zoals gezegd waren de omstandigheden hen niet bepaald genegen. (FV)
Sleepy Sun (***) krijgt vaak het compliment dat ze wat mee hebben van Black Mountain, stilaan een legendarische band in het underground-circuit. In de Club toonden ze ook dat ze die positieve commentaren niet gestolen hebben. Sleepy Sun bracht een licht psychedelische set waarbij de zanger steeds vaker ging intrigeren. De band bracht vooral nummers uit hun geprezen ‘Fever’ en palmde de Club zonder veel moeite in met harmonieuze melodieën en experimentele psychedelica. Zoiets noemen wij eigenzinnig en sympathiek. (VC)
Het was erg lang wachten op nieuw werk van Goose (*****). Dat de Dance Hall net als enkele jaren geleden propvol zat bewees dat de fans deze Belgische trots nog niet vergeten zijn. Voor zover de keet zichzelf nog niet in vuur en vlam had gezet, deed de groep dat vrij vroeg in de set met "Can't Stop Me Now". Bijna-klassiekers als "Bring It On" en "British Mode" deden hier nog een ferme schep bovenop. Nieuwe single "Words" sloot met een lang uitgesponnen magistrale versie een fantastisch concert formidabel af. (BS)
Reeds bij hun eerste EP “Summertime” waren we verkocht voor The Drums (***1/2). Ook in de Marquee bleek hun gevoel voor vrolijke, zomerse popdeuntjes. Akkoord, zanger Jonathan Pierce ziet er een beetje uit als een Bent Van Looy uit de Aldi, en erg gevarieerd zijn de songs niet altijd, maar ze hebben intussen toch een tas vol nummers waarop het leuk meezingen of “oeh-oeh”-en geblazen is. We denken uiteraard in eerste instantie aan de geniale zomerhit “Let’s Go Surfing”. Het loopt pas mis wanneer ze de diepere toer proberen op te gaan in “We Tried” (erg matig) en “Down By The Water” (niet geschikt als afsluiter). (FV)
Met “High Violet” heeft The National (*****) definitief een plaatsje aan de top van het muzieklandschap veroverd, en op zaterdagavond hebben Matt Berninger en co dat live nog eens extra in de verf gezet. Het begin mag dan nog wat aarzelend geweest zijn, toen “Squalor Victoria” ingezet werd, smolten onze laatste twijfels als sneeuw voor de zon. Van dan af maakte het vijftal er één grote triomftocht van. In het tweede deel van de set kwamen de krachtige nummers van deze unieke band meer naar boven. Tussendoor werden we getrakteerd op “Fake Empire”, waarvan we de magnifieke piano-intro na duizend luisterbeurten nog niet beu zijn. “Terrible Love” sneed wederom door merg en been en sloot dit optreden in schoonheid af. (FV)
Wanneer we zeggen dat Broken Bells (***) het nieuwe project is van Brian Burton (Danger Mouse) en James Mercer (The Shins), gaat er dan al een belletje rinkelen? Broken Bells had het ongeluk dat ze geprogrammeerd stonden tussen twee zeer hippe bands als The Drums en Jonsi. Dit niveau wisten ze – hoe kan het ook anders – niet te evenaren. Toch speelde Broken Bells een intieme, ingetogen en sobere set die de ideale muzak bleek te zijn voor het publiek die net zijn lunchpauze hield. “The High Road”, “Sailing To Nowhere” en “October” zijn maar een paar van de nummers die indruk maakten. (VC)
De meiden van Au Revoir Simone (***) zien eruit als 3 brave engeltjes, maar de Heer stond niet aan hun zijde op Pukkelpop en saboteerde het geluid en de instrumenten. De Amerikaanse zingende toetsendames stonden voortdurend zichtbaar geïrriteerd hun ding te doen, communiceerden meer met de geluidsmensen dan met het publiek, en kwamen bij momenten over alsof ze voor het eerst ooit op een podium stonden. "Only You Can Make Me Happy" en al hun andere prachtsongs verloren zo op jammerlijke wijze een groot deel van hun schoonheid en wisten nooit echt te boeien. (BS)
Vonden we Them Crooked Vultures op Werchter eerder tegenvallend, dan namen good old Queens of the Stone Age (****1/2) op Pukkelpop opnieuw al onze twijfels over de heer Josh Homme weg: de Queens trakteerden ons op een strak concert, zonder verrassingen maar boordevol steengoede rockplaten. Steviger beginnen dan met “Feel Good Hit of the Summer” kan gewoonweg niet, “Sick, Sick Sick”, “Little Sister” en “3’s & 7’s” kregen de wei probleemloos in beweging. Homme was even gevat en stoer als altijd, en kon al helemaal niets meer verkeerd doen toen hij met de grande finale begon: die begon bij “Go With The Flow”, knalde verder met “No One Knows” en eindigde ronduit briljant met “Song For The Dead”. (FV)
We hadden al het idee dat we het optreden van Jónsi (*****) in de Marquee maar beter niet zouden missen (nochtans een moeilijk dilemma met Yeasayer), en dat is volledig terecht gebleken: de genialiteit van moedergroep Sigur Rós wordt (nog) niet bereikt, maar de excentrieke IJslander bleek toch garant te staan voor een uur boordevol muzikale pracht. Hij had zijn decor van de zaaltournee in het voorjaar (die ook in de AB passeerde) niet volledig meegenomen, maar de magnifieke achtergrondbeelden bleven gelukkig bewaard. Jónsi schippert van zacht en intiem over sfeervol en catchy tot adembenemend explosief, en telkens weer blijft het bloedmooi. Het echte Grote Moment kregen we bij “Grow Till Tall”, oftewel een explosie zoals we die totnogtoe enkel bij Sigur Rós zagen. (FV)
Balthazar (***) stond als laatste band geprogrammeerd in de Wablieft?! tent. Dat de jongens en meisjes er al een lange festivaldag hadden opzitten werd gauw duidelijk. De band oogde vermoeid, al belette het hen niet om met een ijzersterke start de temperatuur in de tent op te voeren. “The Boatman”, “Wire” en “Fifteen Floors” bleken een gedroomd trio. Helaas stapelde de band daarna de kleine foutjes op en kwamen ook de zanglijnen er net niet vloeiend genoeg uit. Desondanks wisten de jonge knapen zich nog te redden met nummers als “Blues For Rosann”, “Throwing a Ball” en het nog steeds ongenaakbare “Blood Like Wine” dat tekende voor een kippenvelmoment. (VC)
Het festival werd in stijl afgesloten door 2ManyDJ’s (****). Het werd een stomend feestje, maar meteen ook eentje dat de grenzen van het festival aantoont: tot ver achterin de wei was het over de koppen lopen, en drank bijhalen was een waar monnikenwerk. Gelukkig werd er nog stevig gedanst, op allerlei muziekstijlen: van de hotste electro du moment tot echte rockklassiekers, ze passeerden allemaal de revue. We hoorden nummers van ondermeer ondermeer AC/DC, Daft Punk, Eurythmics, Phoenix en The Prodigy, en allemaal zetten ze de wei in vuur en vlam. Joy Division’s “Love Will Tear Us Apart” mocht Pukkelpop 2010 officieel afsluiten. (FV)
door Bart Somers, Filip Van Der Elst, Gert Thijs, Natalia Zabkar, Paola Verhaert, Phara Elsen, Sven Volckerijck en Vincent Coomans
Links:
Pukkelpop website
Pukkelpop Facebook
Dit artikel delen met je vrienden?

Helemaal mee eens? Of net helemaal niet? Klik hier en laat het ons weten op de discussion board van onze Facebook group!